'Kunt u mij
helpen?' vraag ik de mevrouw met het naamplaatje. Inmiddels ben ik de hal drie
keer rondgelopen, op zoek naar een lift. Mijn hakjes klakkend op de glanzende
tegels.
'Ik heb een afspraak', zeg ik, 'om tien uur'.
'Dat is het nu', zegt de mevrouw. Ze wijst met
haar pen naar de klok die boven haar hoofd hangt.
'Inderdaad', zie ik nu ook.
'Ik zal hem bellen,
mevrouw Mol, dan komt hij u beneden halen', zegt de vrouw.
Ze kent mijn naam.
'Jullie krijgen zeker niet vaak bezoek?',
vraag ik.
Of nee, eigenlijk
vraag ik dat niet. Ik denk het.
'Ik heb het gevoel
dat je mij niet mag', zegt hij drie kwartier later.
'Als ik je niet mag, dan merk je dat', knik
ik. Ik leun achterover in mijn stoel, zodat ik de deur kan zien.
'Ja',
zegt hij, 'dat kan zo zijn. Maar hoe wéét ik het, als je me niet mag?'
Ik geeuw.
'Dat merk je', zeg ik.