Ga weg, kom terug
Zodra haar glas leeg was, wilde ze haar tas pakken en de
kroeg stilletjes verlaten. Maar plotseling stonden ze weer voor haar. De meiden
wild springend, de jongens met half gesloten ogen, de mist nog rondom hen. Dat
ze naar de Markt gingen, een of ander studentenfeest. Toen Lindsey zichtbaar
aarzelde, zei Corinne net iets te hard: 'je doet het jezelf ook wel een beetje
aan, hè'. De jongens proestten onbedaarlijk, de meiden likten aan hun vingers
en schikten hun wenkbrauwen. Dus Lindsey ging mee. Naar het studentenfeest.
Alweer. En tegen alle verwachtingen in werd de schuchtere secretaresse het
meisje dat het hardst lachte, na drie biertjes al. De jongens drentelden
plotseling om haar heen; Corinne werd pijnlijk verwaarloosd. En natuurlijk
voelde het goed. Ja, dit deel voelde altijd goed.
De avond werd de
nacht en Lindsey voelde de muziek, beleefde de melodieën alsof ze voor haar
gecomponeerd waren. Iedere lege beker wierp ze nonchalant op de vloer, om
vervolgens twee nieuwe aan te pakken.
Met haar ogen
onafgebroken gericht op de drummer van de band danste ze de nacht uit, tot het
ochtend werd en de felle lampen hun genadeloosheid over de massa wierpen. De
band was blijkbaar gestopt met spelen, maar de drummer zat nog altijd achter
zijn drumstel. Mouwloos shirt met de print van een wolf.
'Laat me hier niet
achter', fluisterde één van de jongens met wie ze hierheen was gekomen. Hij
drukte zijn onderlijf tegen haar buik. Wie ben je ook alweer, dacht Lindsey. Ze
keek opnieuw naar de wolfjongen. Hij droogde zijn krullen af aan een witte
handdoek, en dronk water uit een flesje.
En zo kwam het dat
Lindsey die avond niet naar huis liep, maar hem in gedachten een hand gaf en
zich mee liet voeren naar het kraakpand waar hij al drie jaar woonde. Het was
de muziek geweest, altijd weer de muziek. Oorverdovend deze keer. Eigenlijk
zoals vroeger.
Hij bleek een filosoof te zijn. Een drummende filosoof, in
een kraakpand. Zonder familie, zonder scrupules ook. Zonder toekomst, als je
het haar ouders gevraagd zou hebben. Maar zij wilde proeven hoe het was om
langzaam door hem vergiftigd te worden.
'Beleef het met me
mee', zei hij onderweg. Het begon te regenen. Aanvankelijk zachtjes, totdat ze
bij de slagboom kwamen. De slagboom die altijd openstond en daarom eigenlijk
geen slagboom meer was. Zware druppels plensden op hun blote armen, kleefden
hun kleren aan hun lijf. Het deerde niet. Lindsey liet de dag van zich
afspoelen, hel, het afgelopen jaar mocht van haar door de gleuven van de put
verdwijnen! Verkeerde keuzes, maar ze was er nog. Verre van perfect misschien,
het lag allemaal wat ingewikkeld. Welke rol speelde ze vanavond? Had ze
überhaupt een keuze gehad? Het is weer begonnen, denkt ze vergenoegd. Lindsey
is niet meer, de suffe trut met de grijze vestjes en ronde kragen heeft het
podium verlaten.
'Hoe heet je?' had
hij gevraagd toen ze op het podium was gaan staan, met haar handen in haar
zakken. Het had een paar seconden geduurd voor ze antwoord gaf, drie hooguit.
Vanuit haar tenen golfde het naar boven. Even leek het of ze in een droom was
beland, de werkelijkheid klopte niet. Al lang niet meer. Ze zag haar
meisjesschoenen, blauw met strikjes, de rode broek met witte blouse. Een golf
van misselijkheid belette haar te spreken. Totdat de onzekerheid plaatsmaakte
voor een allesomvattend gevoel van vrijheid.
'Robyn', zei ze. Het
klonk bedeesd, maar schijn bedriegt vaak.
Nu ben ik waar ik wil zijn. Jij, jij
bent mijn muze. Laat me horen wat je te vertellen hebt, zing het me toe. Hou je
niet in, want ik absorbeer je helemaal. Door jou groei ik tot wat ik was en
verder. Ik hoor de klanken van het verleden, maar nu voller dan hiervoor. Dit
ooit nog eens mee te mogen maken, ver van huis. Weg van de kwade ogen die
dwingen. Weten jullie het nog? Zagen jullie niet dat ik mezelf niet wilde zijn?
Waar waren jullie toen ik jullie nodig had? Ik was bang, bang dat er niets
onder zat, dat ik weg zou zinken en volledig zou verdwijnen. Ik had geen echte
vrienden, tot ik Robyn werd.
Nu ze zijn aandacht heeft, maakt het allemaal niet meer uit.
De nachtmerrie die het dagelijks leven heet, verliest aan kracht. Ze hapt naar
adem om te voorkomen dat een hysterische lach het moment verpest. Het is
pijnlijk lachwekkend, dat wel. Zij die altijd heeft gevochten voor een
druppeltje erkenning, zij die spiegels brak om niet te hoeven zien wie ze was.
Zij loopt hier met de drummer van de band. Laat me niet alleen, denkt ze
plotseling. Dit gevoel moet ik vast kunnen houden. Als ik dit verlies, ben ik
terug waar ik vanochtend begon.
'Hoe oud ben je?',
vraagt hij terwijl hij een arm rond haar middel legt. Ze weet dat hij haar
jonger inschat dan ze is. Even kijkt ze naar de lantaarnpaal die ze op dat
moment passeren. Hij is uit, misschien vanwege het tijdstip, maar vermoedelijk
is hij gewoon kapot.
'Vierentwintig',
antwoordt ze en ze kijkt hem verontschuldigend aan.
'Geeft niet', zegt
hij, 'je lijkt jonger'.
Ze zou het wel uit kunnen zingen. Luidkeels. Maar iedereen in
het huis slaapt. Als ik hier wil blijven wonen zal ik een goede modus moeten
zien te vinden, denkt ze. Jij en ik, muziek en ik. Altijd weer opnieuw. Wat
heerlijk om te kunnen voelen hoe het was om mij te zijn. We zijn geen soort van
een combinatie, maar we moeten het er maar mee doen. Misschien zie ik eruit als
Lindsey, maar haar ken ik niet meer. Ze is vertrokken en ik hoop dat ze weg
blijft.
'Wat zie je, als je
in de spiegel kijkt?', vraagt de drummer afwezig. Ze schrikt van zijn vraag. En
van zijn stem, die droog en kaal klinkt in de kleine ruimte. De kamer is
behangen met zware gordijnen, in het midden staat een drumstel. De wolfjongen
haakt zijn broekriem vast en kijkt haar aan. Hij ziet het, denkt ze. Hij weet
het. Ze komt overeind en trekt de deken tot aan haar kin. Ze ademt zijn slaap
en zweet in.
'Ik…', begint ze. Op
de grond liggen haar kleren. Een kleurrijk hoopje ellende. Door het raam valt
het aarzelende grijs van een nieuwe dag. Ze legt haar hand op haar voorhoofd en
bedekt haar ogen. Denk na, nu. Haar hoofd schudt een verwarde ontkenning. Maar
de wolfjongen is al opgestaan en staat met zijn rug naar haar toe. Hij pakt een
shirt van een rommelige stapel kleren: rood met iets wat een vlag lijkt te
zijn. Hij steekt eerst zijn armen door de gaten en dan pas zijn hoofd.
Luidruchtig haalt hij zijn neus op.
'Wil je wat
drinken?', vraagt hij.
Ik weet niet, denkt
ze. Maar ze knikt.
De wolfjongen is
verdwenen. Door een deur, verscholen achter een gordijn. Ze kijkt naar de
stapel kleren op de stoel naast het bed. Als ze opstaat, voelt ze het koude
cement aan haar voetzolen. Ze pakt het bovenste shirt van de stapel en ruikt
eraan. Deodorant en wasmiddel. Snel trekt ze het aan. Samen met Lindsey's broek
dan maar. De schoenen met de strikjes schopt ze onder het bed. Op blote voeten
haast ze zich de trap af, terug naar buiten.
De regen stroomt in straaltjes langs haar wangen. Maar haar
ogen geven licht, glinsteren vol vuur.
Niet opgeven nu.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten