'Ik?'
Zie hoe de tijd
verstrijkt zonder dat we iets doen. Rachid vraagt hoe ik mezelf zie, maar kijkt
direct naar de straat waar mensen lopen, auto's voorbij razen en geluiden ontstaan.
Ik geef geen antwoord en hij kijkt me weer aan. Ik voel de onverschilligheid
die mijn ogen moeten uitstralen. Zonder iets te zeggen neem ik een slok van
mijn cappuccino. Vroeger zou ik deze sfeer ondraaglijk hebben gevonden en elke
vraag zo snel mogelijk hebben beantwoord. Met wat dan ook, als er maar
gesproken werd. Nu niet.
Hij glimlacht zogenaamd
geruststellend. Alsof alles volgens plan gaat. Maar ik voel me anders dan
normaal en mijn onvoorspelbaarheid geeft me een kracht die ik al lang niet meer
heb gehad.
'Eerlijk gezegd kan
ik wel wat gebruiken,' zeg ik.
Hij zucht hoorbaar.
De drugs die ik zo nu en dan gebruik, vormen volgens hem een wezenlijk
probleem. Verslaving is mij niet vreemd.
'Zal ik zeggen hoe ik
jou zie, nee beter gezegd, hoe ik ons zie?' Alle energie is uit zijn stem
verdwenen. En uit zijn ogen.
'Twee jaar geleden
had jij iemand nodig die richting gaf aan je leven. Dat was ik. Je keek naar me
op en vond alles prachtig wat ik deed. Andersom voelde ik me tot je
aangetrokken omdat jij in staat was te leven op een manier die geen grenzen
kende. Jouw drang naar nieuwe indrukken was vertederend. In de loop der jaren
heb ik alles gegeven om onze relatie stabiel en duurzaam te maken. Maar tot op
de dag van vandaag heb jij je drang naar avontuur niet losgelaten. En dat
kwetst me.'
Alles wat hij zei klopte. Maar er was nog zoveel meer, te
veel waar Rachid compleet buiten stond. Een verband tussen onze relatie en de
stem van de Onbekende was er niet. Zonder te weten waarom, deed ik overdag alle
gordijnen dicht en de deur op slot. Steeds vaker was het donker in huis. De
telefoon kon rinkelen, maar ik liet hem gaan. De grote kaars op tafel was al
half opgebrand.
Rachid had geen
enkele keer met zijn ogen geknipperd toen ik hem vertelde van de stem in mijn
hoofd en de bijbehorende donkere ogen die achter in mijn hoofd verschenen zodra
de kaars werd aangestoken. Hij had me strak aangekeken en was kort na mijn
bekentenis naar zijn eigen huis gegaan. Twee dagen later gaf hij me het
telefoonnummer van een psycholoog. De Onbekende had berustend met zijn hoofd
geknikt, alsof hij mij van tevoren de uitkomst van het gesprek met Rachid had
kunnen voorspellen.
Die nacht dacht ik na
over wat er met me gebeurde. Ik was niet in orde, dat was duidelijk. De kalme
stem in mijn hoofd speelde een te grote rol in mijn leven. Toch dacht ik er
geen moment aan om de Onbekende los te laten. In plaats daarvan hield ik het
strookje met het telefoonnummer boven de vlam van de kaars. Ik besloot er nooit
meer een woord over te zeggen.
Nu hangt het onderwerp zwaar tussen ons in. Ver verwijderd
van de stad waarin we beiden wonen, op kunstmatig avontuur, reizend van hotel
naar hotel. Het is de ochtend van de derde dag. Na het ontbijt stappen we in de
auto. Zwijgend zitten we naast elkaar, tot aan Saillon. Daar checken we opnieuw
in, en kunnen meteen aanschuiven voor de lunch.
'Lijkt het je niet
geweldig om eens een keer iemand anders te kunnen zijn?'
Verstrooid kijkt
Rachid op van zijn bord en ik zie meteen dat ik me op verboden terrein begeef.
Hij doet nog een poging om me aardig aan te kijken, maar ik begrijp dat dit
weer een van mijn vruchteloze opmerkingen zal worden. De zon schijnt door de
kleine ramen, maar slaagt er niet in enige blijdschap te brengen. Op de
donkerbruine tafels, die volledig passen bij de rest van het meubilair, liggen
dikke hoogpolige lopers die me doen denken aan vroeger. Ook mijn oma had zulke
kleden. Groen en wit. Onvoorstelbaar hoeveel koek- en chipskruimels daarin
konden verdwijnen. Wat zou er allemaal in dit kleed huizen? Ik ben geneigd om
de flosjes aan weerszijden te veranderen in kleine vlechtjes, die alleen maar
door terug te vlechten uitgehaald kunnen worden. Ik bedwing me.
Na het eten staat Rachid op met de mededeling dat hij het
stadje gaat bekijken. Ik loop naar de hotelkamer met daarin het tweepersoonsbed. Opgelucht
dat ik eindelijk alleen ben, zet ik de witte kaars op het ronde tafeltje en
trek er een stoel bij.
Sommige dingen
verdwijnen sneller dan ze gekomen zijn. Wat is dat toch met schoonheid, een
verkoelende zoen op een verhit voorhoofd. Als ik in de verte staar (een grote
hobby van mij, want in de verte blijft alles onbekend) waaien mijn gedachten
alle kanten op. Ik zie bomen meebuigen met de wind. Ik zie een fietser die ik
vaak geprobeerd heb te tekenen, maar altijd te snel was verdwenen.
Op een middag als
deze.
Ja, op zoveel
middagen als deze.
Maar hoe komt het dan
dat we altijd weer dezelfde fouten maken. Hoor je mij? Duistere ogen in de
schaduw van de zaal. Ik voel het als ze op mij gericht zijn.
Zodra ik de kaars aansteek, zie ik hem voor me verschijnen.
Snel schuif ik nog een stoel naar de tafel. Hij neemt plaats tegenover mij. Zeg
iets!
'Hoe moet ik je
noemen?' Voor het eerst praat ik tegen hem. Twee donkerbruine ogen staren me
aan van boven de vlam. De tafel waaraan we zitten, lijkt ineens wel honderd
jaar oud. De kamer wordt onzichtbaar. Geen omgeving, slechts een tafel met een
kaars, en een duistere gestalte tegenover me.
'Ik heb je gehoord,
je was ergens achter in mijn hoofd. Ik weet dat jij het bent waardoor ik
eindelijk weer kan slapen.'
Hij beweegt zijn
hoofd en brengt een hand naar zijn oor. Een grote hand. Pezig en fors. Hij
schudt zijn hoofd, maar niet moedeloos of machteloos. Eerder machtig en
dwingend. Daarna verdwijnt hij.
Ik zoek mijn rugzak, doe m'n trui aan en loop naar buiten.
Weg uit dat troosteloze hotel. Weg van de vage herinneringen die deze vreemde
omgeving toch iets vertrouwds geven. Weg van de veiligheid die mij belemmert om
verder te gaan.
Het hotel is gelegen
in een middeleeuws stadje. Buiten aangekomen zie ik vooral veel asfalt. Een
brede weg waar zo nu en dan een auto overheen rijdt. Een kiezelstenen
parkeerplaats met een scheefgezakt hek eromheen. De auto staat er nog.
Ik loop achter het
hotel langs een heuvel op. Opvallend veel groen tegenover de saaie hoofdstraat.
Een vrouw zit gehurkt in haar voortuin en omhelst een hond.
'Grüss Gott', zegt ze
vriendelijk.
'Hai', antwoord ik
dwars.
Het lijkt me geweldig
om eens een keer iemand anders te kunnen zijn. Zo'n vrouw bijvoorbeeld. Gewoon
ongecompliceerd gelukkig zijn. Alsof.
Opeens roept iemand mijn naam. Verbaasd kijk ik om, terwijl
ik de stem van Rachid natuurlijk meteen herkende. Hij rent mijn kant op. Een
onbehaaglijk gevoel overmeestert me.
'Schatje…', hij kijkt
me aan in de veronderstelling dat hiermee alles gezegd is. Zijn lompe,
afwachtende houding irriteert me. Als ik naar hem kijk, begrijp ik waarom hij
in mijn leven is geweest. Als ik naar hem luister, weet ik waarom ik hem kwijt
moet raken. Hoe kun je zoveel om iemand geven, terwijl die ander dat niet weet?
Hoe kan dit gevoel dan ook ineens weer verdwijnen?
Zonder te weten waar
naartoe, loop ik door. Rachid aan mijn zijde. Met mijn hoofd naar de grond
gericht, nergens aan denkend, vervolg ik mijn weg tot we bij een stenen
boogbrug komen. Omdat iets aan de overkant van de rivier mijn aandacht trekt,
blijf ik staan. Een meisje in een witte jurk staart me aan. Ze staat ver weg,
maar toch zie ik haar heel duidelijk. Ze heeft perfecte blonde krullen en een
gezicht als van porselein. Ze tuurt naar me met haar donkerbruine ogen. Het
verbaast me dat ik van deze afstand haar ogen zo duidelijk kan onderscheiden.
Uit haar blik straalt zo'n ongelooflijke kilheid dat het onmogelijk is naar
iets anders te kijken. Met haar ogen dwingt ze mij te blijven staan en als door
haar blik gevangen, kijk ik terug. Ik voel de haat die zij bij zich draagt.
Haat, tot mij gericht. Angstwekkend sterk. Ze laat me niet los dus ik moet
blijven kijken. Ze staat zo ver weg, maar duidelijk zie ik haar ogen
veranderen. Ze zijn niet langer groot, maar samengeknepen en daardoor nog dreigender.
Ondertussen blijft Rachid aan mijn hoofd zeuren. Hij heeft het meisje niet
opgemerkt en vraagt zich waarschijnlijk af waarom ik niks terugzeg. Hij
begrijpt niet dat ik vecht tegen de blik van een meisje dat schijnt ze te
denken dat ik haar iets vreselijks heb aangedaan.
'Isabelle', zucht het
door mijn hoofd. Ik zie haar lippen fluisteren. Ze verwart me met iemand
anders.
Ik hoor Rachid
moeilijk doen vanwege het feit dat ik niets tegen hem zeg. Hij heeft het meisje
nog steeds niet gezien. Kijk me aan, roept hij in mijn gezicht. Ik zou wel
willen. Juist op dit moment lijkt niks aangenamer dan in discussie gaan met
Rachid. Alles beter dan deze harteloze blik, dit stille verwijt voor iets waar
ik geen deelgenoot van was.
Uiteindelijk wordt
hij kwaad en gemelijk stampt hij richting de brug. Angst overvalt me op het
moment dat ik besef dat hij te dicht bij haar komt. Ik probeer hem terug te
roepen, ik probeer te schreeuwen, maar zonder resultaat. Halverwege de brug
draait hij zich om en kijkt of ik hem volg. Verbaasd maar zelfverzekerd loopt
hij door en uit mijn ooghoeken zie ik hem uit mijn leven verdwijnen. Rachid
gaat weg zonder mij, terwijl ik voor het eerst echt met hem mee zou willen. Ik
kan hem niet volgen vanwege haar. Het meisje staat aan zijn kant, dat is
duidelijk. Ze lijkt hem zelfs te wenken. Hij schijnt haar niet eens te zien.
Op het moment dat
Rachid de overkant van de brug heeft bereikt, laat het meisje mijn blik los en
verschijnt er een brede lach op haar gezicht. Puur leedvermaak. Een blijk van
overwinning, zojuist door haar behaald. Op slag krijg ik medelijden met haar;
en met Rachid. Wat kan iemand haar aangedaan hebben, dat ze zo is geworden. Wat
heb ik Rachid aangedaan, dat hij naar de andere kant van de brug wil.
Blijkbaar gehaast en met grote stappen komt een man mijn
kant op gelopen. De ceintuur van zijn beige jas zwaait los langs zijn benen.
Hij let niet op mij. Ook hij lijkt geobsedeerd door het vreemde meisje dat, nu
zij lacht, iets duivels heeft. Hij kijkt bang en verschrikt, eerst naar het
meisje en dan naar mij.
Dezelfde ogen, schiet
het door me heen. De man en het meisje, dezelfde donkerbruine ogen. Maar dit
keer schreeuwend om hulp, niet langer verwensend en koud. Onbeschrijfelijke machteloosheid
stralen ze uit. Bijna onzichtbaar schudt hij nee, terwijl hij met zijn ogen
blijft vragen. Een kleine beweging: nee, nee! Angst en onmacht vullen mij. Dan
opeens:
'Het lijkt niet, alles is.' Hij zegt het
zonder zijn mond te bewegen. Hij zegt het zonder te praten. Een soort galm in
mijn hoofd. Een mantra, zich herhalend als de echo van een sirene. Het lijkt
niet, alles is. Het lijkt niet, alles is. Zonder verder nog enige emotie te
tonen, ineens een gewone man, een oude man in gedachten verzonken, loopt hij
door en laat mij alleen achter. Alleen, want Rachid is verdwenen. Alleen, want
ook het kind is weg. Daar sta ik, verdwaasd. Ik voel hoe mijn hart tekeer gaat.
Alles begint te draaien en ik zak door mijn benen. Een overweldigende rust
zodra ik de grond raak. Ik zie nog net hoe mooi het hier eigenlijk is. Fris
groen gras, felrode bloemen. Een idyllisch stenen bruggetje, dat er nu vredig
bij ligt. Een smalle weg, slingerend richting een bos. Dan wordt het zwart voor
mijn ogen en vergeet ik alles.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten